Hoe zit ons pensioenstelsel in elkaar?

Gisteren vertelden we al een en ander over hoe ons pensioen eruit ziet. Via de Slack-groep kwamen daar een aantal vragen over. Om die vragen goed te beantwoorden, moeten we eerst weten hoe het Nederlandse pensioenstelsel  eruit ziet. Daarvoor wordt dit plaatje in de praktijk veel gebruikt:

Hoewel dit een systeem is wat zelfs de overheid gebruikt om ons stelsel uit te leggen, is onze pensioensysteem niet vastgelegd in één wet. Er zitten namelijk drie verschillende wetten achter deze pijlers . Samen vormen ze jouw pensioen. In deze blog gaan we ze stuk voor stuk langs.

Pijler 1: de AOW.

Dit is het meest bekende onderdeel van het pensioenstelsel. De wettelijke basis van de AOW komt uit de Algemene Ouderdomswet, die al sinds 1956 in werking is. De kern van deze wet is dat iedere pensioengerechtigde in Nederland een minimale pensioenuitkering krijgt. Dit bedrag kun je aanvragen zodra je de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De exacte bedragen kun je hier bekijken.

Daar moet je wel iets voor doen: je moet namelijk verzekerd zijn. Iedereen die in Nederland woont of in Nederland loonbelasting betaalt, is dat automatisch. Dat verandert als je verhuist naar het buitenland. Voor elk jaar dat je in het buitenland woont, krijg je 2% minder AOW. Je kunt je vrijwillig verzekeren, maar dat kost een significante hoeveelheid geld. 

De AOW is een omslagstelsel. Dat betekent dat het geld van mensen die nog niet AOW-gerechtigd zijn, direct wordt gebruikt om de mensen die wel AOW-gerechtigd zijn te betalen. Het geld wordt dan ook niet belegd, en je ‘spaart’ niet voor de AOW.

Door de vergrijzing wordt de AOW-gerechtigde groep steeds groter, en de groep die daarvoor betaalt steeds kleiner. Daarom wordt de AOW-gerechtigde leeftijd steeds verder omhoog bijgesteld. Een alternatief is dat de premies steeds hoger worden. Deze premie is onderdeel van de Premie Volksverzekeringen, en bedraagt in 2018 17,9% over een maximum (fiscaal) inkomen van €33.994. Je betaalt dus maximaal €6.084,92 per jaar mee aan de AOW.

Pijler 2: de werkgever.

Het pensioen wat je bij de werkgever opspaart, wordt opgebouwd in de tweede pijler van ons pensioenstelsel. Hoe dat precies werkt, staat omschreven in de Pensioenwet. Niet alle werkgevers hebben een pensioenregeling, en het is wettelijk niet verplicht. Het is een secundaire arbeidsvoorwaarde. In sommige branches is er een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst), die werkgevers in die branche verplicht moeten naleven. Via de CAO kan een werkgever ook verplicht worden om een pensioenregeling te hebben. 

Pensioenfonds.

Wanneer je een CAO hebt, dan bouw je meestal pensioen op in een pensioenfonds. Een bekend voorbeeld hiervan is de overheid: iedereen die daar werkt, bouwt een pensioen op bij het ABP. In een pensioenfonds leg je elke maand geld in. Dat bedrag is gelijk voor iedereen, jong en oud. Iedereen bouwt per euro ook evenveel pensioenrechten op. Dat noemen we de doorsneepremie. Jongeren bouwen minder op dan ze eigenlijk zouden moeten, omdat ouderen en jongeren evenveel pensioen krijgen per ingelegde euro. Daarmee compenseren de jongeren voor de ouderen. Dat ziet er ongeveer zo uit:

Het grote voordeel van een pensioenfonds is dat bekend is wat je pensioen zal zijn (je hebt een zogenaamde uitkeringsovereenkomst). Natuurlijk kan er geïndexeerd worden (of gekort), maar je weet ongeveer waar je aan toe bent. Bovendien worden de risico’s over alle deelnemers uitgespreid. Dat zorgt er ook voor het het pensioen vrij zeker is. Nadeel is dat dit stelsel, zeker voor jongeren relatief duur is.

Pensioenverzekering.

Wanneer je niet inlegt in een pensioenfonds maar wel via de werkgever een pensioen opbouwt, heb je hoogstwaarschijnlijk een pensioenverzekering. Deze regelingen werken vrijwel allemaal met een ‘beschikbare premieregeling’. Deze regeling impliceert dat er een percentage van het loon gestort wordt door de werkgever, gekoppeld aan de leeftijd van de werknemer. Een jong persoon betaalt dus weinig premie, terwijl een oudere medewerker veel meer betaalt. Deze premie wordt in een (individuele) pot gestopt en belegd. Hiervan wordt uiteindelijk het pensioen betaald. 

Dit heeft verschillende voordelen. Voor de werkgever geldt dat hij -zeker als zijn werknemer jong is- minder premie betaalt. Bovendien is de premie vastgesteld, waardoor hij nooit gedwongen wordt om in de toekomst meer bij te dragen. Dat risico ligt bij de werknemer.

Daar staat voor de werknemer tegenover dat hij -zeker in de eerste jaren- veel minder premie betaalt, en dat eventuele beleggingswinsten bij de werknemer terecht komen. En aangezien een gegarandeerd pensioen duur is, kan het verstandig zijn om dat risico zelf te nemen. Desalniettemin blijft het een risico, waar iedereen met een pensioenverzekering bewust van moet zijn.

Bovendien is er ook het risico van timing. Afhankelijk van de regeling wordt er op de pensioendatum een pensioen gekocht. Wanneer de beurs laag is, zal het bedrag waarmee een pensioen aangekocht kan worden, ook laag zijn. Dit is zeker iets om rekening mee te houden in het plannen van de pensioendatum!

Pijler 3: privé-pensioen.

De derde pijler van het pensioenstelsel is het privé-pensioen. Deze is het minst bekend. Eigenlijk is dat niets anders dan een uitgestelde belasting, waarmee je bruto een pensioen opbouwt.  Later (na de pensioendatum) betaal je daar belasting over. En omdat je nu waarschijnlijk meer belasting betaalt dan later, levert dat een fiscaal voordeel op. Er is nog een tweede voordeel: over het bedrag wat je opbouwt, betaal je geen belasting over je vermogen (vermogensrendementsheffing, VRH). Al deze zaken zijn vastgelegd in de wet Inkomstenbelasting. Als je ZZP-er bent, maak je gebruik van de derde pijler wanneer je een pensioenvoorziening opbouwt. 

Met het geld wat je in de derde pijler stopt, kun je sparen, beleggen, banksparen of een lijfrente afsluiten. Dat moet wel met een product wat hier speciaal voor bedoeld is. Doordat je geen belasting betaalt over het vermogen wat je in dat product hebt zitten, kan het bedrag sneller groeien dan wanneer je het zelf belegt. Wanneer de Belastingdienst elk jaar (netto) 1,3% VRH heft, scheelt dat over 35 jaar al (1-0,987^35) 36%  in vermogen! Daarmee heb je -ceteris paribus- via de derde pijler een pensioenuitkering die 36% hoger is. In de praktijk ligt dat voordeel iets lager, omdat je blijft inleggen. 

Beperkingen.

Er zijn wel beperkingen. Zo moet je een ‘pensioengat’, oftewel jaarruimte hebben. Dat kun je berekenen via de de belastingdienst. Daarvoor heb je jouw belastingaangifte nodig, en de zogenaamde factor A die bepaalt of er nog zogenaamde jaarruimte is. De factor A staat op het Uniform Pensioen Overzicht wat je elk jaar krijgt. Deze vul je in onder ‘pensioenaangroei’. Als je geen pensioen hebt opgebouwd (bijvoorbeeld omdat je ZZP-er bent), vul je hier 0 in.

Een andere beperking is dat de uitkering bedoeld moet zijn voor na het pensioen. Je kunt het (volgens artikel 3.126a lid 4a 2°) wel eerder laten uitkeren, maar dan moet de uitkering minimaal tot 20 jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd doorlopen. In de praktijk komt dat neer op een levenslange uitkering. Wanneer de uitkering ingaat in het kalenderjaar dat de AOW-leeftijd is bereikt (of later), mag deze in 5 jaar uitgekeerd worden.

De derde pijler lijkt qua karakter op de 401(k)-regeling die in de Verenigde Staten geldt. De bedragen die je in de VS kunt sparen zijn wat hoger: In Nederland kun je (afhankelijk van het inkomen) maximaal €12.598 per jaar sparen, wanneer je verder geen pensioenregeling (tweede pijler) hebt. In de VS kun je $18,500 per jaar investeren. Het is daar ook veel populairder om te doen, en ook wat eenvoudiger. Wellicht komt het ook wel omdat veel Amerikanen verder nauwelijks een pensioenregeling hebben…

Ons pensioen is een optelsom.

Sommige deskundigen benoemen ook nog een vierde pijler in ons pensioenstelsel: alle vormen van individueel (be)sparen. Het afgeloste huis, het spaargeld, het passief inkomen wat je zelf hebt opgebouwd: het valt allemaal in de vierde pijler.

Al deze pijlers gezamenlijk vormen ons pensioen. Dat betekent dat -wanneer je gepensioneerd bent- meerdere inkomstenstromen hebt. Je krijgt AOW, een uitkering van het pensioenfonds en/of -verzekering waar je in deelgenomen hebt, eventueel nog een uitkering die je zelf hebt aangekocht, passief inkomen, je vermogen. Al die uitkeringen samen vormen het inkomen. Dit inkomen moet in balans zijn met jouw (gewenste) uitgaven na pensionering.

Nu we het pensioenstelsel verkend hebben, kunnen we een strategie bepalen hoe we er optimaal gebruik van kunnen maken. Daar gaan we in een volgend blog mee verder. 

Let op: ik ben geen financieel expert of pensioenadviseur. Deze informatie kan dan ook onvolkomenheden bevatten. Raadpleeg een adviseur voor advies voordat je keuzes maakt.

Kende jij alle pijlers van ons pensioenstelsel? 

4 gedachtes over “Hoe zit ons pensioenstelsel in elkaar?

  1. Voor mij zijn het 6 pijlers:

    1. AOW
    2. Pensioen
    3. Sparen/ beleggen
    4. Huis aflossen
    5. Passief inkomen (tweede, wellicht derde huis)
    6. Uitgaven laag houden (energie-neutraal huis, moestuin, huisvlijt, niet teveel spullen kopen)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *